Weg

We stonden op een kruispunt
zonder wegen en sliepen met de vlooien
op matrassen van stro. Onder de deur
kroop de geur van brood onze dromen in.
Door de ramen zagen we hoe
koeien de hemel spiegelden en
op hun vacht wolken groeiden.
Thuis was weggedreven en dichtbij
niets anders dan een bijna lege rugzak
met shampoo voor weken
en een landkaart, onleesbaar
door de regen.