Wie

(Voor S)

Wie zijn al die mannen, daar achter
in de tuin? Dat zijn de bomen pap,
je hoeft niet bang te zijn. Maar hij wijst
naar het gapend gat waar een van hen
is weggezaagd, de leegte van takken
die niet meer aderen in het water. Aan
de verdwenen voet groeien nog
miljoenen bessen. Hij tast tegen
het glas naar onze hand. Tussen
zijn tenen kriebelt strandzand
vol fossielen en zeilen resten
van gezonken schepen, hij ziet
liefdesdieren deinen, hoort
papieren molens suizen. Nu
is hij niet bang meer. Later,
later, mam, als ik groot ben,
zegt hij. En alles stroomt
terug de zee in.